Rechter zet streep door visumplicht voor Turk in Nederland

17 februari 2011 09:01

De uitspraak van de Haarlemse rechtbank die een streep haalt door de visumplicht voor Turken die in Nederland werken of willen werken, heeft in Turkije tot euforie geleid. Op de Turkse televisie worden mensen opgeroepen zonder visum op reis te gaan.

Door uitspraak van het Hof kunnen Turkse dienstverleners zonder visum naar Nederland

Dat schrijft dagblad Trouw vandaag.

Aangehouden
De rechtszaak in Haarlem was aangespannen door een Turkse ondernemer, die in Nederland woont en werkt. Hij werd in 2009 aangehouden toen hij na een kort verblijf in Turkije zonder visum terugkwam naar Nederland.Door uitspraak van het Hof kunnen Turkse dienstverleners zonder visum naar Nederland

Dat had niet gemogen, oordeelde de Haarlemse rechtbank maandag. De rechter baseert zich op een uitspraak van het Europese Hof van Justitie uit 2009. Het hof gaf toen twee Turkse vrachtwagenchauffeurs gelijk die steeds een visum moesten aanvragen als ze met hun vrachtwagen naar Duitsland reisden.

Verdrag
Turkse ondernemers die in Duitsland willen werken, hebben volgens het hof geen visum nodig. Dat is het gevolg van een verdrag uit 1973, waarin wordt bepaald dat vrije vestiging en vrije arbeid door Turken niet verder mag worden beperkt. Ook Nederland heeft dat verdrag ondertekend.

Toenmalig minister van Buitenlandse Zaken Maxime Verhagen (CDA) zei in 2009, na Kamervragen van de PVV over de kwestie, een onderzoek in te stellen.

Wél visumplicht
Dat onderzoek is klaar. Op 28 januari stuurde het kabinet een brief naar de Tweede Kamer dat het onderzoek binnenkort wordt gepresenteerd. Hun conclusie: in 1973 gold er wél een visumplicht.

De brief kwam te laat om een rol te spelen in de Haarlemse zaak. De rechter bepaalde dat er geen visumplicht is voor in Nederland werkende Turken.

Reacties

Nr. 63 BRIEF VAN DE MINISTERS VAN BUITENLANDSE ZAKEN EN VOOR IMMIGRATIE EN ASIEL

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 28 januari 2011

Zoals toegezegd tijdens een spoeddebat op 10 maart 2009 (Handelingen der Kamer II, vergaderjaar 2008–2009, nr. 61, blz. 4911–4927), informeren wij uw Kamer in deze brief, mede namens de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, over de gevolgen voor Nederland van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) in de zaak-Soysal1. Conclusie van het nader onderzoek is dat Nederland niet behoort tot de EU-lidstaten die door het Soysal-arrest geraakt worden. Het huidige visumbeleid ten aanzien van Turkse dienstverrichters kan daarom ongewijzigd blijven.

De zaak-Soysal betrof een klacht van Turkse vrachtwagenchauffeurs die in Duitsland aan een visumplicht waren onderworpen. Op grond van de standstill-bepaling in het Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst tussen de EU en Turkije, mogen vanaf de datum van inwerkingtreding van dat protocol geen nieuwe beperkingen voor toelating van dienstverrichters worden ingevoerd. Het Hof bepaalde daarom in deze zaak dat een EU-lidstaat geen visumplicht mag opleggen aan Turkse dienstverrichters, als deze visumplicht niet bestond op het moment van inwerkingtreding van het Aanvullend Protocol. In Nederland was dat op 1 januari 1973. De vraag die moest worden beantwoord was dus welke wetten en verdragen op dat moment in Nederland golden en welke werking hiervan uitging.

Op 1 januari 1973 golden in Nederland twee relevante verdragen: een verdrag van 1953 tussen de Nederlandse en de Turkse regering waarbij de visumverplichting werd afgeschaft maar waarin voor dienstverrichters juist een visumplicht was opgenomen2, en een in 1957 gesloten overeenkomst binnen het kader van de Raad van Europa die de mogelijkheid bood om een visumplicht in te stellen voor vreemdelingen die in een van de deelnemende verdragspartijen een economische activiteit wilden ontplooien3.

Uit het Voorschrift Vreemdelingen 1966 blijkt dat sinds 1968 in Nederland géén visumplicht werd toegepast op Turkse onderdanen, ook niet op dienstverrichters, voor een verblijf korter dan drie maanden4. Naar aanleiding van een toename van de instroom van Turkse onderdanen in de Benelux in 1980 werden in dat jaar eerder genoemde verdragen opgeschort. Deze visumplicht werd in 1982 in het Voorschrift Vreemdelingen opgenomen.

Op grond van de voorrangsregel in artikel 94 Grondwet5 vindt nationale wet- of regelgeving geen toepassing indien deze toepassing niet verenigbaar is met een een ieder verbindende bepaling van een internationaal verdrag. Dit betekent dat de verdragen van 1953 en 1957 prevaleren boven het Voorschrift Vreemdelingen. Op grond hiervan concluderen wij dat op 1 januari 1973 in Nederland een visumplicht bestond voor Turkse dienstverrichters. In het WODC-onderzoek van juli 2009 naar de stand van het vreemdelingenrecht en –beleid ten tijde van inwerkingtreding van Associatierecht met Turkije kwamen de onderzoekers eveneens tot deze conclusie.

Nederland behoort derhalve niet tot de EU-lidstaten die door het arrest-Soysal geraakt worden. Het huidige visumbeleid ten aanzien van Turkse dienstverrichters kan daarom ongewijzigd blijven. Hierbij zij opgemerkt dat het uiteindelijke oordeel over de op Nederland rustende verplichtingen uiteraard aan de rechter is voorbehouden.

Ten overvloede melden wij dat het Soysal-arrest bovendien geen gevolgen heeft voor de Wet arbeid vreemdelingen en de daarin vervatte tewerkstellingsvergunningsplicht. De relatie tussen artikel 41 van het Aanvullend Protocol en de in Nederland geldende tewerkstellingsvergunningsplicht voor Turkse vrachtwagenchauffeurs is reeds onderzocht naar aanleiding van een eerder arrest van het Hof in de zaak-Abatay6. De conclusie was dat aan de uitspraak geen gevolgen waren verbonden voor de toepasselijkheid van de in de Wet arbeid vreemdelingen neergelegde tewerkstellingsvergunningsplicht. Het Soysal-arrest brengt hierin geen verandering.

De minister van Buitenlandse Zaken,

U. Rosenthal

De minister voor Immigratie en Asiel,

G. B. M. Leers

Reageren

Naam   E-mail Mijn url
Voer onderstaande code hiernaast in:
e21d29
Onthoud mijn gegevens!