De gedetailleerde invloed van Turkije op Nederland

Door Diyanet gewijzigde versie Intentieverklaring INHOLLAND en CMO De ondergetekenden:

I.                   Hogeschool INHOLLAND, uitgaande van de stichting Hoger Onderwijs Nederland, kantoorhoudende te Den Haag, te dezen rechtsgeldig vertegenwoordigd door J.M.M. Elbers, voorzitter College van Bestuur, hierna te noemen: “INHOLLAND

en

II.                Contactorgaan Moslims en Overheid, kantoorhoudende te Apeldoorn, te dezen rechtsgeldig vertegenwoordigd door  A.Tonca, hierna te noemen CMO.

 

 Overwegende dat:

INHOLLAND de behoefte erkent bij de eigen studenten, met name in Amsterdam en Rotterdam, aan een Imamopleiding;

INHOLLAND bovendien erkent dat de inhoudelijke ontwikkeling en uitvoering van een Imamopleiding alleen in directe samenwerking met Islamitische koepelorganisaties (CMO) en het Islamitisch beroepenveld gestalte kan krijgen;

CMO de behoefte erkent aan een Nederlandse Imamopleiding op zowel master (Theologie) en als hbo niveau;

Tot de kwaliteit van huidige imams te bereiken, voor het CMO Imams een universitaire opleiding noodzakelijk is en dat een HBO opleiding een goede basis opleiding is voor een academisch vervolg opleiding een Universiteit.

Voor CMO is het belangrijk dat, door wie en hoe de afgestudeerde imams worden betaald. Zodat je van je achterbaan de stutenden voor deze opleiding stimuleren. 

CMO zodoende tijdens haar Elspeetconferentie van 19 en 20 februari 2005 zich heeft uitgesproken om aan een eigen opleidingsinstituut een eigen Imamopleiding op hbo- en universitair niveau te willen ontwikkelen, maar beseft dat de realisatie hiervan op de korte termijn niet haalbaar zal zijn;

Verklaren partijen dat er op de korte termijn behoefte is aan een Imamopleiding op HBO-bachelorniveau en zijn partijen overeengekomen dat zij elkaars expertise nodig hebben om zo’n opleiding te realiseren.

Opdat de opleiding op korte termijn kan worden aangeboden zal daarvoor de licentie van INHOLLAND van de bacheloropleiding Godsdienst- Pastoraal werk (croho 35146) worden ingezet.

De opleiding zal onder de naam ‘Imam en islamitisch geestelijk werker’ als een nieuwe onderwijsroute binnen de bacheloropleidingen Godsdienst- Pastoraal werk, worden ontwikkeld. Er moet een vervolgd opleiding komen op Theologische Faculteit in Universitaire niveau.

Daarnaast zullen stappen ondernomen ter erkenning van deze opleiding als nieuwe opleiding met een eigen registratienummer in de croho.

Deze 4 jarige hbo bacheloropleiding kan vanaf 1 september 2006 in deeltijd worden aangeboden en vanaf 1 september 2007 ook in voltijd.

De opleiding valt onder de wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) en valt zodoende conform die wet, onder de verantwoordelijkheid van Hogeschool INHOLLAND.

De opleiding zal worden aangeboden aan de Academie voor Theologie en Levensbeschouwing (ATL) van INHOLLAND te Amsterdam. Het opleiding programma moet na de goedkeuring van CMO worden uitgevoerd.

In de projectaanvraag van INHOLLAND is een financiële paragraaf opgenomen waarin op basis van een begroting van de ontwikkelkosten, een subsidieaanvraag is opgenomen. Onderdeel hiervan zijn de kosten (26% van het totale bedrag) voor participatie van de CMO vertegenwoordigers.

Met betrekking tot de samenwerking verklaren partijen het volgende te zijn overeengekomen:

Artikel 1         Projectgroep, stuurgroep en beroepenveldcommissie

1.       Partijen hebben de intentie om na toekenning  van de subsidie van het ministerie van Justitie, samen het acceptabel curriculum voor de Nederlandse Imamopleiding op hbo-niveau te ontwikkelen .

2.       Ten behoeve van de gezamenlijke ontwikkeling van het curriculum zal voor de ontwikkelperiode ervan een projectgroep en een stuurgroep worden aangesteld.

3.       De projectgroep zal uit maximaal 6 personen bestaan, evenredig verdeeld over INHOLLAND en CMO.

4.       De projectgroep wordt aangestuurd door een duo projectleiderschap waarbij de projectleider van INHOLLAND primus inter pares is.

5.       De projectgroepleden zijn docenten van INHOLLAND met een islamitische achtergrond en een deskundige vertegenwoordiger van het CMO.

6.       Voor de duur van zes jaar wordt een stuurgroep aangesteld van maximaal 5 personen bestaande uit: twee vertegenwoordigers van het CMO, twee medewerkers van INHOLLAND waaronder de directeur van de School of Education Amsterdam en een extern deskundige.

De beslissingen van stuurgroep op basis van unanimiteit moeten worden besloten.

7.       Voorzitter van de stuurgroep is de directeur van de School of Education Amsterdam van INHOLLAND.

8.       De stuurgroep accordeert alle producten van de projectgroep en neemt besluiten over vormgeving, inhoud en voortgang. De stuurgroep adviseert bovendien over het profiel van toekomstige medewerkers van de opleiding waarbij een CMO lid van de stuurgroep zal worden afgevaardigd als lid van de sollicitatiecommissie.

9.       De projectleiders onderhouden het contact met de stuurgroep ondermeer door in de rol van linking pin aanwezig te zijn bij de stuurgroepvergaderingen.

10.   INHOLLAND en het CMO vinden het belangrijk dat het beroepenveld nauw betrokken is bij de ontwikkeling en de kwaliteitstoetsing van de opleiding. Ook voor deze nieuwe Imamopleiding zal daarom na de start van de opleiding een beroepenveldcommissie worden geïnstalleerd.

11.    Leden van de beroepenveldcommissie zijn naast de directeur van de School of Education Amsterdam van INHOLLAND en leden van de stuurgroep, vertegenwoordigers van CMO organisaties, vertegenwoordigers van  zomogelijk nog andere koepelorganisaties die ook voornemens zijn afgestudeerden van deze opleiding tot imam af te nemen, en deskundigen uit de beroepspraktijk.

12.   De wettelijk vereiste beroepenveldcommissie is conform de WHW, bevoegd te adviseren over competenties, inhoud, opbouw en kwaliteit van het curriculum.

Artikel 2: Evaluatie en voortgang

1.       De opleiding en de onderlinge samenwerking wordt in ieder geval iedere drie jaar geëvalueerd.

2.       De evaluatievragen worden in gezamenlijk overleg met de samenwerkende partijen opgesteld.

3.       Op basis van evaluatie worden na zes jaar afspraken gemaakt over de wijze waarop de samenwerking tussen de partijen zal worden voortgezet.

Artikel 3: Geschillen

1.       Bij onoverkomelijke verschillen van mening wordt een externe, deskundige intermediair gevraagd te bemiddelen.

2.       De onder 1 bedoelde deskundige wordt door de partijen, bij aanvang van de samenwerking aangesteld.

Artikel 4: inwerkingtreding

1.      Deze overeenkomst treedt in werking op 1 december 2005 Aldus overeengekomen te Den Haag, 16 november 2005

 

 

J.M.M. Elbers

 

Voorzitter College van Bestuur     Hogeschool INHOLLAND

 

 

A.Tonca

 

Voorzitter Contactorgaan Moslims en Overheid

 

Reageren

Naam   E-mail Mijn url
Voer onderstaande code hiernaast in:
ff9d1a
Onthoud mijn gegevens!