Is Europa schatplichtig aan de islam 4
ENCINA NAVAN - 01 DECEMBER 2009
De Arabieren bestudeerden de volledige Griekse kennis – dat klopt. Maar daarna deden ze er iets heel anders mee.
De Arabieren leefden onmiddellijk na de veroveringen vanaf 632 in
kazernes of steden die nieuw ontworpen waren voor Arabieren – het woord
‘moslim’ werd pas na 690 gebruikt – om hen in staat te stellen het
stamverband te handhaven en daarmee hun positie als heersende elite.
Religie betekende in de samenleving van woestijnarabieren weinig meer
dan het koesteren van traditionele waarden van stamtrouw (asabiyya).
Tegenwoordig zouden we dat sociale cohesie noemen. Ze hadden geen
religie zoals we dat tegenwoordig begrijpen als persoonlijke devotie.
De eerste vier kaliefen (632-661) alsmede de latere Omajjaden
(661-749) waren alleen geïnteresseerd in de materiële rijkdommen van de
onderworpen gebieden, die ze dan ook gebruikten om te verdelen onder
hun eigen familie en de strijdende elite. In deze tijd was de
belangstelling voor de Griekse wetenschap verwaarloosbaar.
Pas na de staatsgreep van de Abbasiden (749) kwam hier verandering in. De oorzaken voor deze verandering waren:
· De Abbasiden steunden voornamelijk op een Perzische achterban, en minder op Syrië en Arabië zoals onder de vorige kaliefen;
· In
Spanje ontstond een Omajjadisch bewind, dat een permanente bedreiging
vormde voor de Abbasiden. De kalief stuurde twee maal een leger naar
Spanje om dit land te heroveren, maar zonder succes. Na 770 werden de
Omajjaden met rust gelaten, in ruil voor de verzekering dat ze geen
kalifaat zouden uitroepen (Abdarrahman was een nakomeling van Mohammed
en was dus feitelijk kalief).
· De
gebieden ten westen van Egypte verkeerden voortdurend in rebellie en
waren vanaf 800 feitelijk zelfstandig, gevolgd door Egypte zelf in 868;
· Een
reeks van nederlagen maakte een einde aan de expansiepolitiek van de
Arabieren: 717 mislukt beleg van Constantinopel, 732 nederlaag tegen de
Franken, 740 nederlaag tegen de Byzantijnen, 751 overwinning tegen de
Chinezen die zonder gevolg blijft. Omdat de betaling van de Arabische
legers grotendeels voortkwam uit oorlogsbuit, betekent een langdurige
stagnatie van veroveringen dat de staat zijn inkomsten sterk ziet dalen
en bevreesd moet zijn voor rebellie.
De Abbasiden moesten andere middelen zoeken om hun legitimiteit in
de ogen van zowel Arabieren als niet-Arabieren te waarborgen en om de
inkomsten van de staat te vergroten. Het eerste doel, de legitimiteit
probeerden ze te vergroten door de Arabische identiteit om te vormen
tot een islamitische identiteit, zodat ze andere etnische groepen
konden betrekken in de opbouw van de staat.
Het Arabisch werd definitief voorzien van een schrift, dat ook
leesbaar was voor niet-Arabieren, dus zij die niet bekend waren met de
uitspraak op basis van opvoeding. Er waren eerdere pogingen geweest,
maar die leverden een resultaat op dat alleen begrijpelijk was voor
Arabieren, omdat die alleen de uitspraak van de klinkers betrof,
waarmee de verschillen in uitspraak tussen dialecten in het Arabisch
werd opgelost. Vandaar dat er 7 uitspraakvarianten van de koran werden
toegestaan door Mohammed. Het moderne schrijfsysteem voor het Arabisch
werd ontwikkeld door Khalil ibn Ahmad, in het Kitab al-Ayn, rond 770.
Het Arabisch was al voertaal geworden rond 700, maar door de
vaststelling van de schrijfwijze en de grammatica werd het mogelijk om
de taal te onderwijzen.
Oorspronkelijk was islam weinig meer dan een verkorte versie van
Nestoriaans christendom voor woestijnarabieren, waarbij de functie van
de asabiyya werd overgeplant van de familie en stam naar de groep van
moslims. In deze periode betrof dit alleen de mujahireen, de emigranten
die Arabië hadden verlaten om elders een beter leven te zoeken. Pas
vanaf 700 begonnen de Omajjaden het geloof van de moslims meer te
definiëren op een manier die moslims onderscheidden van andere
geloofsgroepen. In de eerste periode van de emigratie, tot 700, waren
de godsdienstige verschillen tussen moslims en andere richtingen niet
groter dan bijvoorbeeld die tussen Nestorianen en monofysieten
onderling. De Abbasiden veranderden de positionering van islam door de
verschillen groter en talrijker te maken, ze een officiële rol te geven
en de koran een centrale functie te geven als heilig boek, in plaats
van als gebruiksaanwijzing bij de bijbel.
De verandering van elite verklaart een aantal omstandigheden
waarvoor het erg moeilijk is om een andere verklaring te vinden. De rol
van de hadith, de sira, de fiqh en de sharia, wordt in deze periode
ontwikkeld. Er wordt een omvangrijk systeem van verwijzingen (de isnad)
opgezet om legitimiteit te verwerven, maar al in de tijd van Tabari (9de
eeuw) zag men in dat 99 % van de hadith verzonnen waren om een vrome
indruk te maken. Ook van de pre-islamitische poëzie, die gold als
referentiepunt voor de opstelling van de Arabische grammatica, is
onbewezen dat ze ooit bestaan heeft, laat staan dat ze overgeleverd is.
Moslims beweren graag dat ze op zoek zijn naar kennis en dat de
Arabieren meteen na de emigratie gretig de boeken van Grieken, Perzen
en Indiërs gingen bestuderen. De werkelijkheid is volstrekt anders.
Toen Syrië en Irak rond 640 werden veroverd door de Arabische
nomaden, waren er vertalingen aanwezig in het Syriac, maar ook
originelen in het Grieks.
Het Syriac
is net als het Arabische een semitische taal en was in die tijd de
belangrijkste verkeerstaal en bovendien de taal van de Oosterse kerk,
dat wil zeggen de christenen buiten het bereik van het Byzantijnse
Rijk.
Syriac schrift lijkt sterk op Arabisch schrift en de definitieve versie van het Arabische schrift is dan ook grotendeels ontleend aan het Syriac.
Het belang van het Syriac ontstond door de voortdurende
gosdsdienstige twisten in het Byantijnse Rijk na het vaststellen van
het Credo van Nicene (325). In de loop van de vijfde eeuw ontstonden er
tenminste drie belangrijke richtingen die zich los maakten van de
officiële leer van Nicene, de lijn van Constantinopel. De eerste was
het arianisme, dat de goddelijke natuur van Jezus ontkent en historisch
weinig invloed heeft gehad. De tweede was het monofysitisme, dat de
menselijke natuur van Jezus ontkent, en dat in Egypte en Syrië grote
invloed had. De derde was het Nestorianisme, dat een soort
tussenpositie inneemt. Het Nestorianisme had zijn zwaartepunt in Syrië. Constantinopel probeerde voortdurend om de officiële
leer op te dringen aan de nestorianen en de monofysieten. Bovendien
sloot Constantinopel de school van Athene en andere scholen waar de
kennis van de oude Grieken werd onderwezen als heidense, want niet
christelijke, organisaties.
De Nestorianen waren voor de vervolging door Byzantijnen gevlucht
naar steden in het grensgebied met Perzië, voornamelijk Nisibis, een
stad die de Romeinen in 363 moesten afstaan aan de Perzen. Ze
presenteerden zich als vijanden van de staatskerk in het Byzantijnse
Rijk en konden daardoor rekenen op steun van de Perzische koning. Hier
werd de
eerste universiteit opgericht
met drie afdelingen: theologie, filosofie en medicijnen [1]. De school
werd verplaatst naar Edessa in Romeins gebied, maar toen keizer Zeno de
school sloot vanwege zijn heidense inhoud, keerde ze terug naar
Nisibis. Zeno deed dit om de gunst van de monofysieten te winnen en de
eenheid binnen het rijk te vergroten. De sluiting van de School van
Athene door Justinianus (539) vormde nog een reden voor de Griekse
filosofen om elders werk te zoeken.
De school van Nisibis kreeg hierdoor een sterk Nestoriaans
karakter. De Perzische koningen onthaalden de Nestorianen omdat ze
hierdoor Griekse kennis in huis haalden en meenden hun Byzantijnse
vijanden te verzwakken. De school van Nisibis onderwees het logische
werk van Aristoteles, het Organon, en gebruikte ook de Isagoge van Porphirius, de inleiding op de logica van Aristoteles.
In de periode die volgde kreeg het Nestorianisme veel aanhangers
in het huidige Irak, maar ook in Perzië en in het oosten van Arabië,
waar missionarissen actief waren. Het koninkrijk Hira (in de buurt van
het huidige Koefa), geregeerd door de Arabische stam de Lachmieden, was
overwegend Nestoriaans. Net als in het Romeinse Rijk was de logica van
Aristoteles hier een belangrijk hulpmiddel om het geloof te brengen.
Rond 640 was de Griekse kennis dus verspreid door het hele gebied
dat veroverd zou worden door de woestijnarabieren, van Egypte tot
Perzië. Sinds Alexander de Grote de Perzen had verslagen, was het
Griekse denken de verbindende factor geworden tussen alle culturen
vanaf Egypte tot aan India. Deze culturele onderlaag was al duizend
jaar aanwezig toen de Abbasiden de macht overnamen en kon niet zomaar
terzijde geschoven worden. Het enige alternatief was de filosofie te
gebruiken met het doel het geloof op te tuigen en meer gezag te geven.
De variant van het Griekse denken die in het oosten circuleerde was
ontwikkeld door scholen in Alexandrië en deze variant kenmerkte zich
doordat ze het denken van Plato probeerde te verzoenen met dat van
Aristoteles.
De belangrijkste centra waren Nisibis, Jundishapur (100 km ten
oosten van Bagdad) en Hira. De Arabieren deden niets met de aanwezige
kennis totdat de Abbasiden aan de macht kwamen. De redenen liggen voor
de hand. Ten eerste, ze kenden geen Syriac of Grieks en hadden dus geen
toegang tot de boeken. Ten tweede, ze hadden het niet nodig: het voeren
van oorlog was voldoende om een riant leven te leiden. Ten derde, ze
vermeden doelbewust vermenging met de onderworpen volken en hun
culturele erfenis. Pas toen de Arabieren te maken kregen met volken die
erg veel weerstand boden, zoals de Franken, de Byzantijnen en de
Khazaren, en daarnaast kampten met interne verdeeldheid, zagen ze zich
gedwongen om andere bronnen van macht aan te spreken.
Vanaf 750 is het Arabische Rijk dus niet meer uitsluitend
gebaseerd op een etnische factor, namelijk de emigranten, maar op een
coalitie van een Arabische familie en een grote clan van Perzische
stammen. Deze coalitie gebruikt de afstamming van de Abbasiden van
Mohammed om de macht op te eisen, maar daarvoor moet er wel een nieuwe
ideologie ontwikkeld worden. In de hele antieke wereld was er maar een
logica beschikbaar die daartoe in staat was, namelijk die van
Aristoteles.
De eerste vertaalactiviteit werd ontwikkeld onder kalief al-Mansor
(754-775). Deze eerste vertalingen vanuit het Syriac naar het Arabisch
werden gekenmerkt door een methode die de tekst letterlijk volgde,
zodat het resultaat vaak moeilijk te begrijpen was. Net zoals veel
Griekse begrippen in het Latijn alleen met nieuwe woorden uitgedrukt
konden worden, gebeurde dit ook in het Syriac en vervolgens in het
Arabisch.
De resultaten waren niet bevredigend en kalief Harun al-Rasjid
(786-809) liet nieuwe boeken uit Constantinopel komen. Deze Griekse
teksten werden eerst in het Syriac vertaald en later in het Arabisch.
De meeste belangstelling ging uit naar teksten over medicijnen,
wiskunde en astronomie en de logica van Aristoteles. Arabieren misten
de basiskennis om deze vertalingen uit te voeren, zodat het
voornamelijk Nestorianen en Perzen waren die het werk uitvoerden. Het
project kwam pas na de dood van Harun echt op gang. Vanaf ongeveer 830
werden ook werken van Euclides en de filosofie van Aristoteles vertaald.
De meest productieve vertaler
was Hunayn ibn Isaq
(809-873). Hunayn sprak de vier talen Grieks, Syriac, Arabisch en
Perzisch en verbeterde bovendien de vertaaltechniek. Vanaf ongeveer 825
produceerde
hij en zijn team een reeks vertalingen die bijna de gehele erfenis
van Griekse kennis omvatte. Daarnaast schreef Hunayn zelf een aantal
werken over het oog en beschreef hij de vertaalmethoden die hij volgde
(865). Andere belangrijke vertalers waren Iusuf al-Khuri (een
christen), Qusta ibn Luqa (christen), al-Hunayn ibn Ibrahim
(nestoriaan), Abu Ali Isa ibn Isaq (monofysiet) en Thabit ibn Qurra
(sabijn).
De studie van Aristoteles nam een grotere vlucht door de
inspanning van al-Kindi (jood van arabische afkomst) die met name
bekend werd door de vertaling van ‘De theologie van Aristoteles’
en de stellingen daarvan overnam. Hij was de eerste die het systeem
ontwikkelde waarbij de aristotelische filosofie het diepere inzicht
verwoordde, waarvan de godsdienst en de koran een mystieke weergave
vormden, die voor de gewone man voldoende was.
Deze opvatting had hij natuurlijk ontleend aan de filosoof-koning
van Plato, die zijn functie baseerde op het feit dat het gewone volk
onvoldoende ontwikkeld was om de wereld van de Ideeën te doorgronden.
Deze
Theologie van Aristoteles was in werkelijkheid een bewerking van de
Enneaden van
Plotinus, een denker in de traditie van Plato, maar die onder de
Arabieren doorging als een verbinding tussen het werk van Aristoteles
de logicus en Aristoteles de filosoof. Hetzelfde geldt min of meer voor
de
opvattingen van Aristoteles over de ziel.
In de tijd van al-Farabi ontstonden de eerste conflicten tussen de
filosofen en de schriftgeleerden. De belangrijkste vraagstukken die
onenigheid veroorzaakten waren:
· Is de Eerste Beweger van Aristoteles gelijk aan allah?
· Is de essentie (ousia) van Aristoteles gelijk aan allah?
· Hoe verhoudt de eeuwige materie van Aristoteles zich tot de schepping?
· Als er noodzakelijke en mogelijke dingen bestaan, leidt dat tot een noodzakelijke schepper?
· Zijn de universalia van Aristoteles gelijk aan de reëel bestaande universalia (“Ideeën”) van Plato?
· Is de ziel onsterfelijk en is dat logisch aantoonbaar?
· Bestaan de categorieën echt of zijn het enkel namen die mensen hebben gegeven?
· Bestond de koran eeuwig gelijk met allah (ongeschapen) of is ze later door allah geschapen?
· Is er een vrije wil of wordt alles door god beschikt?
Het was al-Farabi (873-950, Turk), die Plato en Aristoteles verder
integreerde als twee uitdrukkingen van dezelfde waarheid. De faam van
al-Farabi werd zo groot dat hij als bijnaam ‘tweede leraar’ kreeg naast
Aristoteles. Al-Farabi was de eerste die ook zelf verhandelingen op het
gebied van logica schreef in de vorm van besprekingen en commentaren.
Al-Farabi was de eerste die de aristotelische opvatting van de
universalia begreep als een logische relatie [2].
Al-Farabi kende praktisch de gehele overgeleverde Griekse kennis:
Plato, Aristoteles, Proclus, Plotinus. Het feit dat hij het inzicht had
om het geheel te overzien en van commentaar te voorzien, stelde hem
niet in staat om te onderscheiden dat Plato en Aristoteles twee
volstrekt verschillende stromingen van denken vertegenwoordigden. Het
neoplatoonse denken, begonnen door Plotinus, verspreid door Proclus en
in het oosten bekend gemaakt door de Alexandrijnse school, wordt door
al-Farabi als één geheel bestudeerd. Een voor moslims belangrijk
verschil tussen de denkbeelden van Plato en Aristoteles over de
schepping was dat Plato uitging van schepping, terwijl Aristoteles
uitging van het eeuwig bestaan van materie.
Al-Farabi schreef een verhandeling alleen over dit probleem [3], onder de naam Reconciliation of the Opinions of the Two Sages (al-Jam ‘hayna Ra’yay al-Hakimayn).
Al-Farabi beweert hierin dat Aristoteles de eeuwigheid van de materie
alleen als voorbeeld voor het syllogisme hanteerde en op een andere
plaats de uitdrukking van Aristoteles ‘has no temporal beginning’
verkeerd uitgelegd is door latere denkers. Al-Farabi geeft dus een
andere context aan de beweringen van Aristoteles met het doel de
tegenstelling weg te redeneren. Daarbij voert hij andere teksten aan,
zoals de Theologie van Aristoteles, waarmee hij een dubieuze
uitleg bereikt op een manier die al door neoplatonici als Porphyrius
was begonnen. Ook op andere punten, zoals de functie van het oog, stelt
hij dat Plato (licht komt uit het oog) en Aristoteles (licht komt uit
het waargenomen voorwerp) eigenlijk met elkaar overeenstemmen.
Tenslotte doet al-Farabi hetzelfde met de kwestie van de
onsterfelijkheid van de ziel, waarbij hij echter wel opmerkt dat
Aristoteles in diens Metafysica uitdrukkelijk afstand nemen van de opvattingen van Plato[4].
Als al-Farabi de gewenste eigenschappen voor de vorst bespreekt, dan volgt hij in detail datgene dat Plato schetste in De Republiek (hoofstuk 6) [5].
Over de gehele lijn volgt al-Farabi de opvattingen van Plato als
het betreft de inrichting van de samenleving, waarbij hij de logica van
Aristoteles hanteert en daarnaast de waarnemingen van Aristoteles op
andere gebieden, zoals politiek en fysica, gebruikt indien ze te
verzoenen zijn met die van Plato. Al-Farabi geldt dan ook als de
grondlegger van het islamitische neo-platonisme, wat ook wel de
Oostelijke School genoemd wordt [6].
In het algemeen wordt de logica van al-Farabi bepaalt door
teleologische beginselen, dat wil zeggen er wordt veronderstelt dat de
schepping een doel heeft, het menselijk leven dus ook en al het overige
is bepaald door dit uitgangspunt. Dit is logisch als we beseffen dat in
de islam het dienen van allah het enige leidende beginsel is en alle
handelingen dat doel behoren te dienen.
Aan het einde van het leven van al-Farabi vonden een aantal
belangrijke veranderingen plaats. Rond 950 hield het khalifaat op te
bestaan als een zelfstandige macht en was de kalief volledig in de
macht van zijn Turkse lijfwacht en in deze periode verdween de kennis
van het Grieks. Tot dusver waren de filosofen bijna alleen in Bagdad te
vinden geweest, maar na de ineenstorting van het kalifaat zochten ze
andere beschermheren, voornamelijk in Perzië, Egypte en Spanje. Omdat
de meeste beoefenaren van logica tevens geneesheer waren, konden ze
makkelijk elders aan de slag.
Tegelijkertijd vond er een omslag in het intellectuele klimaat
plaats. Al in de tijd van Shafi (ca. 800) bestond er wantrouwen tegen
het logisch denken over geloofsstandpunten, zoals de oorsprong van de
schepping en het verschil tussen de dingen en de namen van de dingen,
maar het
zou al-Ashari
(? - 936) zijn die een tegenbeweging op gang bracht. Hij verzette zich
tegen het rationalisme in het algemeen, maar gebruikte soms wel
rationele argumenten (
voorbeeld).
In de 10de en de 11de eeuw kregen de
ashariten geleidelijk meer invloed dan de Mutazilieten, die de
rationele benadering van het geloof hanteerden. Dit leidde uiteindelijk
tot een volledige afwijzing van logica als zelfstandige discipline,
terwijl het zwaartepunt van onderwijs verlegd werd naar de godsdienst
(de din of deen). De bestudering van de logica werd geleidelijk meer een steriele en formele bezigheid.
In reactie op het rationalisme van kalief al-Mamun waren er steeds
meer moslims die elke Helleense invloed afwezen omdat het een
vernieuwing (bi’da) van het geloof zou kunnen betekenen. De orthodoxie
noodzaakte ertoe om de openbaringen van islam niet te bewijzen of te
weerleggen, maar alleen te aanvaarden. De asharitische leer werd de
uiteindelijke vorm van de orthodoxe opvattingen, met als voornaamste
punten:
· De
koran bestond eeuwig en ongeschapen in god (waarop rationalisten
vroegen hoe het mogelijk was dat er leenwoorden uit Syriac, Perzisch en
Grieks in voorkwamen, dus van talen die pas lang na de schepping
ontstonden);
· De
mens heeft geen vrije wil, maar allah handelt altijd in alle
gebeurtenissen die voorvallen, dus ook het branden van een vuur is een
uiting van de wil van allah. Allah is het enige dat echt bestaat en
alle andere indrukken zijn niet meer dan processen in de geest,
natuurwetten bestaan niet. [7]
In het algemeen steunde de asharitische opvatting de taqlid
en wees ze bijvoorbeeld discussie over de eigenschappen van god af als
te speculatief. Als dergelijke discussie zinnig was, dan zouden de
profeet en zijn gezellen dat wel gedaan hebben, zo liep het argument.
Na het verdwijnen van de kennis van het Grieks, volgde al snel die
van het Syriac. Het Arabisch veranderde van een verkeerstaal in de
algemene taal. Zoals bekend is uit een studie van Bulliet had in de
tiende eeuw al tenminste de helft van de bevolking zich tot de islam
bekeerd. Grote groepen christenen vertrokken naar het Byzantijnse Rijk,
de achterblijvende minderheden genoten steeds minder cultureel
prestige. Bijkomende oorzaak was dat in het Byzantijnse Rijk na 850
weer belangstelling ontstond voor kenners van Griekse filosofie, zodat
de geleerden weer naar Constantinopel trokken.
Vanaf het begin van de 11de eeuw werden de originele
teksten van de Griekse denkers geheel niet meer bestudeerd. Na het
verdwijnen van het centrum in Bagdad beperkte men zich er steeds meer
toe om alleen nog handboeken en samenvattingen te bestuderen. De
verhandelingen van Avicenna (980-1037) waren veruit het beste wat er
tot dusver was geproduceerd en zouden in de eeuwen daarna bijna altijd
het vertrekpunt vormen voor navolgers. Avicenna stond vijandig
tegenover de school van Bagdad (dus vooral de Mutazilieten) en vormde
daarmee het begin van wat later de Oostelijke school zou heten. Het zou
echter al-Gazzali zijn die de basis door al-Ashari gelegd zou afmaken.
Hij kon dit doen doordat een nieuwe Turkse groep, de Seldsjoeken de
hegemonie had veroverd. Hun koning Alp Arslan toonde zich rond 1080
voorstander van de asharitische leer. Gazzali werd in 1092 hoofd van de
Nazmitische academie in Bagdad en gaf de asharitische leer een nieuwe
impuls door zijn vele geschriften [8]. In een werk met de inspirerende
titel The restraining of the Common People from the Science of Theology waarschuwde Gazali voor de gevaren van het bestuderen van de theologie zonder voldoende voorbereiding [9].
Al-Gazzali had ook bezwaren tegen al-Farabi, waarbij de
voornaamste punten waren diens opvattingen rond de eeuwigheid van de
wereld, de ontkenning dat allah kennis heeft van de particularia (de
individuele gebeurtenissen) en de ontkenning van de wederopstanding van
het lichaam op de Jongste Dag [10]. Ook Averroës zou een aantal punten
die door al-Farabi werden verdedigd, hevig bekritiseren. Het
belangrijkste punt hiervan was de vraag of gebeurtenissen noodzakelijk
of mogelijk is. Omdat alles oorzakelijk verbonden is met elkaar,
betoogt Averroës, moeten we tot de conclusie komen dat of alles
noodzakelijk is of alles mogelijk en daarmee de wijsheid van de
schepper in twijfel trekken [11]
In de 12
de eeuw nam de vijandigheid ten aanzien van
filosofie alleen maar toe. Het beoefenen van filosofie werd al snel
opgevat als on-islamitisch. Er zijn gevallen bekend van het verbranden
van boeken over filosofie, waar niet alleen teksten van Griekse denkers
aan ten offer vielen, maar ook werken van Avicenna en
de Ikhwan al-Safa. De activiteiten van deze laatste groep (10
de
eeuw) markeren het einde van een periode, doordat alle beschikbare
kennis verzameld werd in één werk, dat hoofdzakelijk neoplatonisch van
karakter is, maar waarin ook invloeden van Pythagoras, Plato en
natuurlijk Aristoteles zijn te onderkennen [12].
Een paar eeuwen later zou Ibn Khaldun in zijn Muqaddimah (ca. 1380) dit proces beschrijven:
They abridge [the scholarly works]
them, in order to make it easier to acquire expert knowledge of them.
… This procedure has a corrupting influence upon the process of
instruction and is detrimental to the attainment of scholarship. For it
confuses the beginner by presenting the final results of a discipline
before he is prepared for them. This is a bad method of instruction, as
will be mentioned. [13]
Het leren van logisch denken verwerd tot het leren van teksten. Er
werd geleidelijk een systeem ontwikkeld, dat in de loop van de 14de
eeuw verder ontwikkeld werd. Een student leerde een handboek min of
meer uit zijn hoofd, waarbij de leraar de tekst meer uitlegde dan het
onderwerp doceerde. Filosofie werd eigenlijk op dezelfde manier
bedreven als koranstudie: men leerde teksten uit zijn hoofd, waarbij de
interpretatie werd aangereikt. Deze methode liet de positie van de
koran ongemoeid en is feitelijk nog steeds de heersende methode in
islamitische landen.
CONCLUSIES:
1. De
Arabieren gingen zich bezig houden met Griekse kennis niet uit
belangstelling voor de inhoud, maar omdat ze na een reeks nederlagen
zich gedwongen zagen zich te verdiepen in de kennis die andere volken
gebruikten. De Turken zouden rond 1700 in dezelfde situatie verkeren in
betrekking tot West-Europa.
2. Het
kan geen toeval zijn dat én de vastlegging van het Arabische schrift en
grammatica én de bestudering van de Griekse kennis én de optekening van
hadith en sira pas ruim na 750 begonnen en ook praktisch tegelijkertijd.
3. De
bijdrage van etnische Arabieren aan de filosofie beperkte zich tot
enkele uitzonderingen zoals al-Kindi en al-Farabi. Na ongeveer 950
waren het wel bijna altijd moslims, maar dan overwegend Perzen en
Turken.
4. De
studie van Griekse kennis was een onderdeel van de machtsstrijd tussen
Omajjaden en Abbasiden, omdat de Abbasiden nog toegang hadden tot het
materiaal, terwijl de Omajjaden in Spanje dat niet hadden.
5. Toen
duidelijk werd dat Griekse kennis niet in staat was de ontbinding van
het Arabische Rijk tegen te houden, verloren de Arabieren hun
belangstelling en vluchtten ze in een verstarde, meer rituele vorm van
geloof, de enige manier waarop ze zich nog superieur aan ongelovigen
konden wanen.
6. Griekse
kennis was één geheel voor de Arabieren. Ze bestudeerden alles in de
veronderstelling dat alle overgeleverde kennis van dezelfde waarde was.
Kritische bestudering deed slechts een enkeling, zoals al-Farabi en
Averroës.
7. Ook
denkers als al-Farabi, die ver uitstaken boven de overige geleerden,
konden zich niet losmaken van hun culturele context en brachten
onvoldoende tot uitdrukking dat Plato filosofie was en Aristoteles
logica. De behoefte om beide denkers als één geheel te zien drukte een
overwegend neoplatoons stempel op de islamitische ontwikkeling van
filosofie.
8. In
praktisch de gehele periode van de bestudering van Griekse kennis had
de islam voorrang boven de logica. Er trad een voortdurend proces van
islamisering van de logica op, dat versnelde na 900 en rond 1050
afgerond was. De islamisering van het logica was de oorzaak van de
uiteindelijke verstarring van het denken. De verstarring uitte zich in
een afkeer van filosofie in het algemeen, afkeer van boeken in
buitenlandse talen en een afkeer van het bestuderen van originele
bronnen tenzij het Arabische waren.
9. De
afsluiting van de buitenwereld en kennis vanuit de buitenwereld was een
autonoom proces, dat van binnenuit op gang kwam. Toen de Kruistochten
en de invallen van de Mongolen op gang kwamen, was het proces van
verstarring al vergevorderd.
10. De
strijd over het al of niet werkelijk bestaan van de universalia werd in
de islamitische wereld gewonnen door de asharitische school, die het
realisme (Plato) vertegenwoordigde en waarmee het standpunt van
Aristoteles werd verworpen.
[2] Dr. T.J. de Boer, The history of philosophy in islam, h. IV, 2.5.
Zie: link.
[3] M. Fakhri, Al-Farabi, 2002, p. 31-32.
[4] id, p. 36 en 37.
[5] id, p. 104.
[6] id, p. 128.
[7] De Lacy O’Leary, Arabic thought and its place in history, 1922, p. 209-214.
[8] De Lacy O’Leary, Arabic thought and its place in history, 1922, p. 219.
[9] I.R. Netton, Muslim neoplatonists, 1982, p. 41.
[10] M. Fakhri, Al-Farabi, 2002, p. 135.
[11] id, p. 141.
[12] I.R. Netton, Muslim neoplatonists, 1982, p. 22-36.
[13] N. Rescher, The development of Arabic logic, 1964, p. 72.
Overige gebruikte bronnen:
N. Rescher, The development of Arabic Logic. 1964.
De Lacy O’Leary, Arabic thought and its place in history, 1922.
De Lacy O’Leary, How Greek science passed to the Arabs, 1949.
Categorie: Islam
Gurdjieff | 04-12-2009 | 10:15 | Link |
Reageren